Buiten elke menselijkheid,
brak jij, al mijn verbeelding.
Het maakte niets meer uit,
dit dagdromen.
Het werd dag op dag, nacht.
Pure ontroostbaarheid,
in elke waanzin.
Afgedwaalde dromen,
in een adembenemend nietsvermoeden.
Maar (mis poes),
nu ik niet meer droom,
besta ik.

 

Caro Van Braeckel

 

sha